Dag jongen,
Ik keek in je ogen en herkende het verdriet, toen ik begin deze week vanuit de winterkou de aula binnenging. Raakte je aan, greep je hand en schouder, even keken wij elkaar aan, sprak de rituele woorden die dan worden gezegd, maar voor mij zijn dit slechts woorden en deze raken de ziel van het verdriet niet. Dat ligt niet aan de woorden, woorden kunnen dat eenvoudigweg niet, althans sommige.
Wilde meer zeggen, maar wist niet meer, en bedacht later, er is ook niet meer te zeggen. Alleen de troost, misschien, dat je niet alleen bent. Niet alleen in je verdriet en missen..Familie, vrienden, bekenden hebben je de hand geschud. Ze zagen misschien moe gehuilde ogen, ik zag ze in ieder geval. Je vader breekbaar, zijn ogen donkerder, zijn huid leek dun haast van perkament. Maar ik zag ook strijdbaarheid en moed. Nu nog niet, alles is nog open en niets is nog toegedekt door de tijd, die immers heel veel heelt.
Waarom dan deze korte brief? Eenvoudig Edwin, uit vriendschap. En in het besef dat het grootste verdriet, dan ontstaat als alles voorbij is. Ieder weer terugkeert naar zijn eigen huis en de stilte voelt en de leegte die zich niet meer vult. Weet dan, als je je afvraagt waar komen deze tranen toch vandaan, dat dat verdriet is dat naar bovenkomt, onvermijdelijk, maar dan oplost, tot het weg is en de mooie herinnering aan een lieve moeder weer naar voren komt.
Weet ook dat als verdriet verdeeld wordt, de last door meerderen wordt gedragen. Misschien verlicht deze korte brief de last een beetje, weet je gesteunt grote vriend.
Peter